Judo woordenboek
 

Judoschool-Geraardsbergen

Judo woordenboek.

Rei = groet

Ha-jimé = beginnen

Sore-madé = einde

Matté = (tijdelijke) stop

 

Ippon = vol punt score (als je dit scoort heb je meteen gewonnen)

Wazari = halve ippon; als je twee keer wazari scoort in een wedstrijd,

dan telt dat als een ippon en win je ook de wedstrijd.

De scheidsrechter zegt dan ‘wazari-awasete-ippon’.

Yuko = groot voordeel

Shido = straf omdat je (judotechnisch) iets gedaan hebt dat niet mag

Hansoku-maké = diskwalificatie. Je hebt verloren omdat je vier keer iets gedaan heb dat niet mag,

je een gevaar voor jezelf vormt of omdat je onsportief bent geweest.

In de laatste twee gevallen mag je niet meer meedoen in het toernooi.

Osae-komi = er is een houdgreep

Toketa = degene die in de houdgreep lag is eruit gekomen, waardoor de houdgreep niet meer telt.

Sonomama = tijdelijke stop van de actie

Yoshi = weer doorgaan na tijdelijke stop van de actie.

In dit geval gaat de wedstrijd door vanaf het moment dat de actie was stopgezet.

(dit in tegenstelling tot matté, waarbij de judoka’s weer opnieuw beginnen)

 

Groepen met worpen

Ashi-waza = beenworpen

Koshi-waza = heupworpen

Kata-waza = schouderworpen

Te-waza = armworpen

Ma-sutemi-waza = rechte offerworpen

Yoko-sutemi-waza = schuine offerworpen

Maki-komi-waza = oprol-offerworpen

Hikomi-waza = staande kanteltechnieken

 

A

Arashi   :storm

Ashi       : voet/ been

 

 

B

Barai (ook harai): vegen

Basami (ook hasami):schaar

Budo:verzamelnaam voor Japanse krijgskunsten

Bushido:erecode van de Japanse ridder

 

 

C

Chusen:loting

 

 

D

Dan:graad, klas

De:vooruitkomen(d)

Do:weg, romp

Dojo:judozaal, zaal

Dori:(mee)nemen

 

 

E

Ebi:kreeft/ schaar

Eri:revers/ kraag

 

 

F

Fusengachi:winnaar door opgave van de tegenstander

 

 

G

Gaeshi (kaeshi):tegenaanval/ tegenworp

Gake:haken

Garami:oprollen, buigen

Gari:maaien

Gatame (katame):controle, (vast)houden

Geiko (keiko):oefening

Gesa (kesa):schuin

Go:vijf

Gokyo (Gokio):vijf series

Gonosen-no-kata:vorm van tegenworpen (overname-kata)

Goshi (koshi):heup

Guruma:rad, wiel

Gyaku (giaku):omgekeerd

 

 

H

Hadaka:naakt

Hajime:begin(nen)

Hane:vleugel

Han-so-ku-make:diskwalificatie

Hantei:oordeel, (vrij:) scheidsrechterbeslissing

Hara:buik

Harai (barai):vegen

Hasami (basami):schaar

Hidari:links

Hiji:elleboog

Hikiwake:gelijk, gelijkspel

Hishigi:klemmen, ontwrichten

Hon:basis

 

 

I

Ichi:één

Idori:geknielde zit

Ippon:één punt, één zijde

Itsutsu-no-kata:vorm van vijf (kata van het technishe judo-principe)

 

 

J

Jigo:verdediging

Jigotai:verdedigingshouding

Jikan:tijd

Jime (shime):verwurgen

Jitsu (jutsu):techniek / kunst

Ju:zacht

Judogi:judokleding

Judoka:judobeoefenaar

Juji:gekruist

Ju-no-kata:vorm van soepelheid (kata van soepelheid)

 

 

K

Kachi:overwinning door opgave i.v.m. verwonding, ziekte of ongeval

Kaeshi (gaeshi):tegenaanval, tegenworp

Kai (kwai):gemeenschap

Kake:uitvoeren

Kami:boven op

Kani (ebi):kreeft, schaar

Kansetsu (Kwansetsu):gewricht

Karate:lege hand

Kata:schouder, één zijde, type/ vorm

Katame (gatame):controle, (vast)houden

Katame-no-kata:controle naar vorm (kata van controles in ne-waza)

Katsu (Kwatsu):reanimatiemethode

Keiko (geiko):oefening

Kesa (gesa):schuin

Kiai:roepen, kreet

Kime-no-kata:vorm van zelfverdediging (kata van zelfverdediging)

Kimono:(judo)jas

Kio (kyo):beginsel, groep

Ko:klein

Koka:klein voordeel

Kodokan:tempel, judocentrum te Tokio

Kohaku-shiai:competitie met rood en wit

Komi:tegen, binnen

Koshi (goshi):heup

Koshiki-no-kata:antieke vorm

Kubi:nek, hals

Kumi-kata:manier van vastpakken/ pakking

Kuzure:variatie

Kuzushi:balans verstoren, evenwicht verbreken

Kyu:klas

Kyudo:boogschietkunst

 

 

L

Er zijn geen woorden bekend die beginnen met een L

 

 

M

Ma:recht, rug

Mae:van voren

Maitta:opgeven, ‘ik geef op’

Maki:oprollen

Maki-komi:oprol-worp

Mata:dij(been)

Matte:stop, wacht

Migi:rechts

Mochi:met de handen pakken

Morote:met twee handen

Mune:borst

Mudansha:kyu(graad) houder

 

 

N

Nage:werpen

Nage-no-kata:werpen naar vorm (kata van vijftien basisworpen)

Nage-waza:werptechnieken

Nami:normaal, gewoon

Ne:liggend

Ne-waza:grondtechnieken, grondjudo

 

 

O

O:groot

Obi:band/ gordel/ riem

Okuri:zenden, sturen

Osae-komi:houdgreep

Otoshi:dropping, laten vallen

 

 

P en Q

Er zijn geen woorden bekend met de letters P en Q

 

 

R

Randori:vrij oefenen, oefenwedstrijd

Rei:groet, buiging

Renraku-waza:techniek van combinaties

Renzoku-waza:vervolgtechnieken

Rio (ryo):twee, beide

Ritsu-rei:staande houding

Ryu (riu):school, methode

 

 

S

Sabaki:draaien

Samurai (samoerai):ridder, krijger

Sankaku:driehoek

Sasae:blokkeren

Sensei:leraar

Seoi:rug, op de rug (mee)nemen

Shiai:competitie, wedstrijd

Shiaijo:competitie-oppervlakte, wedstrijdoppervlakte

Shihan:meester

Shime (jime):verwurgen

Shinpan:scheidsrechter

Shintai:verplaatsen zonder te draaien

Shiho:vier punten

Shisei:houding

Shizentai:basishouding, normale houding

Sode:mouw(en)

Sono-mama:niet meer bewegen

Sore-made:einde, slot

Soto:buitenwaarts

Sukui:lepel, oplepelen, opscheppen

Sumi:hoek

Sumo:Japans worstelen

Sutemi:opofferen

 

 

T

Tachi:staand

Tai:lichaam

Tai-sabaki:lichaam draaien

Tanden:buik

Tandoku Renshyu:alleen oefenen

Tani:vallei

Tatami:judomat

Tate:lengte, verticaal

Taware:rijstbaal

Te:hand

Toketa:verbroken

Tokui:voorkeurtechniek, specialiteit

Tomoe:boog, cirkel

Tori:hij die uitvoert

Tsukuri:voorbereiden

Tsuri:opliften

Tsuri-komi:trekken en opliften

 

 

U

Uchi:binnen, binnenwaarts

Uchi-komi:herhaald indraaien

Ude:arm

Uke:hij die ondergaat

Ukemi:valbreken

Uki:drijven

Ura:tegengesteld

Ushiro:van achteren

Utsuri:wisselen

 

 

V

Er zijn geen woorden bekend die met een ‘V’ beginnen

 

 

W

Wakare:scheiden, splitsen

Waza:kunst, techniek

Waza-ari:bijna punt, half punt

Waza-ari-awasete-ippon:tweemaal bijna punt wordt vol punt

 

 

Y

Yaku-soku-geiko:oefenen in beweging

Yama:berg

Yoko:zijde, kant

Yudansha:houder van een dangraad

Yuko:groot voordeel

Yushei-gashi:winnaar door superioriteit

 

 

Z

Za:zitplaats

Za-rei:geknielde groet

Za-zen:meditatiezit (onder andere t.b.v. geknielde groet)

Zen:meditatie

Zori:slippers, sandalen

© Copyright 2010-2019 Site Design by Luc Poelaert